Geschiedenis van de Mariakapel

Om ruzie in het dorp te voorkomen wil Pastoor Demal in 1841 een kapel bouwen. Omstreeks diezelfde tijd wordt de koster krankzinnig maar hij neemt een Mariabeeld dat gevonden is onder Maasbrug in Maastricht in zijn armen en wordt weer rustig. Het miraculeuze beeld wordt in de kapel geplaatst en de koster gaat daar iedere avond de rozenkrans bidden. Bijna anderhalve eeuw later verdwijnt het beeld spoorloos. De politiek en justitie moeten er aan te pas komen om het beeld weer naar Itteren te brengen. Feiten en legende over de kapel en het Mariabeeld.

NB. De cijfers tussen haakjes verwijzen naar de bronvermelding 

1 Waarom moest er een kapel komen

Pastoor Demal had er een goede reden voor toen hij in 1841 aan de commissaris van het district Maastricht een brief stuurde om advies voor de bouw van een kapel.

Hier zijn in een sierlijk handschrift geschreven brief. (1)

 

Aan Zijne excellentie Mijnheer Keerens

Commissaris van het distrikt te Maastricht

Mijnheer de Commissaris

 

Het is hier het gebruik gelijk elders dat, wanneer de processie gaat, men hier en daar een kapelken of zo men het noemt, hyligen huysken opricht, om de zegen te geven; daar dit somtijds gelegenheyd geeft aan ongepaste werkzaamheden zelfs oneenigheden maar wel bezonder uyt een godsdienstig inzicht, heb ik voorgenomen van in het vroegjaar op mijne kosten een desgelijke kapelken met toestemming van de gemeente in metselwerk te doen zetten op een verloren plaats van de gemeente waar voortijds nog een dusdanig gebouwken gestaan heeft maar niet verzekerd zijnde of dit kan geschieden zonder wettige autorisatie en mij niet willende blootstellen aan onaangenaamheyd, neem ik bij deze de eerbiedige vrijheid uw excellentie te verzoeken van mij er in gelieve te onderrichten.

Ik heb de eer te zijn van uw excellentie,

De ootmoedige dienaar

P. Demal  pastoor

Itteren de 15 januari 1841

 

Het antwoord van de districtscommissaris volgt al een paar dagen later.(1)

Maastricht 19 januari 1841

Aan den wel Eerwaarde heer Demal pastoor te Itteren

Ter beantwoording van uw edele missive d.d. 15 januari jl. informeer ik uwe eerwaarde dat door mij de wijze op welke de daarbij bedoelde kapelle zal worden ingerigt niet bekend is zonder het plan daarvan onder de oogen te zien. Zo vermeen ik mij te moeten bepalen bij de aanwijzing dat op het stuk toestaande  verordeningen van welke uwe eerwaarde bij den heer burgemeester te Itteren zal kunnen inzage nemen om alzoo zelf te kunnen beoordelen of de beoogde oprichting in de termen der daarin vervatte bepalingen valt, en bezonderlik deze verordeningen zijn:

De wet van 18 Germinal jaar 10

Decreet van 30 september 1807 een en ander gedeeltelijk opgenomen in het Memorial Administrative van 1819 bladz. 180 en het besluit van augustus 1824 officieel blad nr. 45, met welke verwijzing ik vertrouw aan uw eerwaarde verlangen te hebben beantwoord.

De Commissaris

De pastoor wil een kapel bouwen omdat hij er genoeg van heeft dat bij de sacramentsprocessie  af en toe heibel is over het heilige huisje (rustaltaar) en dat dit soms zelfs aanleiding geeft tot “ongepaste werkzaamheden”, nu zou dat sabotage genoemd worden. Dat gedoe is zoals hij dat zo mooi noemt te wijten “aan een bijzonder godsdienstig inzicht” en daarom wil hij in het voorjaar op een verlaten stuk grond op zijn kosten en met toestemming van de gemeente een kapelletje bouwen.

Wat hier precies is voorgevallen zegt hij niet. Misschien was er sprake van een zekere rivaliteit tussen bepaalde families of buurten om de eer op te strijken wie het heilige huisje mag plaatsen en dat zal geleid hebben tot ordinaire ruzies waarbij men elkaar probeerde te dwarsbomen. Omdat het heilige huisje meestal werd opgezet op de dag voorafgaand aan de processie is het niet ondenkbeeldig dat op de dag van de processie een of ander onderdeel van het heilige huisje bijvoorbeeld het tabernakel zo maar verdwenen was en dan stond het dorp natuurlijk in rep en roer.

Hij motiveert zijn verzoek verder met de mededeling dat op de plaats  waar hij de kapel wil bouwen voorheen ook een dergelijk gebouwtje gestaan heeft. Hij wil dit doen zonder vergunning en om daar geen problemen mee te krijgen vraagt hij de commissaris om informatie.

Commissaris Keerens antwoordt dat hij dat niet kan beoordelen omdat hij het plan niet kent en dat de pastoor zich maar tot de burgemeester moet wenden. Hij is wel zo welwillend de pastoor te wijzen op een aantal voorwaarden die mogelijk van toepassing kunnen zijn. Een van die voorwaarden is de wet van 18 Germinal van het jaar 10 (8 april 1802). De datum van deze wet heeft nog betrekking op de Franse tijdrekening die in 1792 als gevolg van de Franse revolutie werd ingevoerd en die duurde tot 1806 toen de Gregoriaanse kalender weer van kracht werd. Het is veelzeggend dat deze wet bijna veertig jaar na de nederlaag van Napoleon nog niet aan de Gregoriaanse tijdrekening is aangepast. Dit kan verklaard worden met de grote veranderingen die in de tijd dat de pastoor zijn brief schreef plaats vonden.

Met de afscheiding van België in 1830 behoorde Limburg, met uitzondering van Maastricht en St.Pieter, tot Belgisch grondgebied. Pas in 1839 kwam door het verdrag van Londen daar een einde aan en kwam Limburg na veel verzet, o.a. vanwege hogere belastingen en het protestantse klimaat, bij Nederland (2). De rechtstoestand van de nieuwe provincie Limburg, die tot nu toe Belgisch en dus Frans georiënteerd was, moest in overeenstemming worden gebracht met die van Nederland. Om dit soepel te laten verlopen werd een overgangsperiode afgekondigd die tot 1 januari 1842 geduurd heeft.

En juist in die overgangsperiode zal het moeilijk geweest zijn om de juiste weg te vinden voor het verkrijgen van een vergunning en het ligt dan voor de hand, waarschijnlijk in overleg met de toenmalige burgemeester Pieter Scheepers (3), om het hogerop te zoeken en wel bij districtscommissaris Keerens van het district Maastricht. Ook de functie van districtscommissaris is afkomstig uit de Franse tijd. Kleinere gemeenten werden samengevoegd tot een district met vijfduizend of meer inwoners met aan het hoofd een districtscommissaris; die kleinere gemeenten behielden overigens wel hun eigen burgemeester.

De adellijke familie Keerens moet een invloedrijke familie geweest zijn want een aantal leden van de familie waren zowel lid van de provinciale Staten  als van de Tweede kamer of bekleedden andere hoge bestuurlijke functies. De Keerens waar het hier om gaat is waarschijnlijk Guillaume Keerens (1775-1852), hij was o.a. lid van de Tweede Kamer en districtscommissaris.

Het is onbekend hoe het verder met de plannen en de financiering voor de kapel verlopen is maar in 1846 is de kapel een feit.

Maria2 Het verhaal van de overlevering

Naast het verhaal van pastoor Demal waarin hij aangeeft dat er problemen zijn met het heilige huisje tijdens de processie, is er ook het verhaal van de overlevering. Dit verhaal, dat van generatie op generatie doorverteld is, is te beschouwen als een legende rond het ontstaan van de kapel. In de katholieke traditie van heiligenverering is dit ook een mooier verhaal en zal daarmee zeker bij gedragen hebben aan de grote devotie voor de Mariakapel.

Dit verhaal is op verzoek van het Diocees omstreeks 1950 op schrift gesteld door George Smeets hoofd der school (4).

Hier volgt zijn verhaal.

Eenvoudige kapel met leien dak. Mariabeeld: oud eikenhouten beeld met rugopening met deurtje en het is lang geleden gevonden onder de Maasbrug te Maastricht. Het was eerst in het bezit van der paters op Hocht, aan de andere zijde van de Maas in België, juist tegenover het dorp Itteren.

Deze paters zijn in een oorlog – vermoedelijk de Franse Revolutie, want de naam Robespierre wordt door een oude man genoemd- uit hun klooster verdreven. Zij gaven het beeld toen aan Dionysius Gulikers, koster te Itteren. Hier bleef het lang (45 jaar) in een kist liggen. Toen kreeg Dionysius een zenuwziekte (krankzinnigheid) maar toen hij het beeld in zijn armen nam, werd hij ogenblikkelijk rustig en genas.

Daarna werd door pastoor Demal de kapel gebouwd en Dionysius schonk toen het beeld aan deze kapel - en ging er iedere avond de rozenkrans bidden.

Voordat de kapel gebouwd werd stond in de lindeboom, die nu naast de kapel staat, reeds  een klein Mariabeeldje.

In 1860 schonk pastoor Demal de kapel aan Francisca Smeets. Deze vermaakte ze in 1926 aan Maria Smeets, no. 5 te Itteren met 2 roeden (2x4,14 are) land, waarvan de opbrengst moest gebruikt worden voor onderhoud en versiering der kapel. De kapel staat op gemeentegrond. Vroeger was er een pad rondom heen. Eens is door iemand veel geld geboden voor het beeld. Het schijnt dus ook kunstwaarde te hebben.

Bij een inbraak is eens het zilveren kruisbeeld van op het altaar gestolen.

Maria en het Kindje Jezus op haar arm dragen beiden een kroon, in 1914 door de gemeentenaren geschonken voor een goede afloop van het oorlogsgevaar en behouden terugkeer van nog in België verblijvende dorpsgenoten. Allen keerden behouden terug. Prijs der kronen 65 gulden.

Tweemaal per jaar is er processie naar de kapel, eenmaal met het H. Sacrament, eenmaal met de eerste Communicanten.

Bij ernstige ziekte wordt 9 dagen bidweg gehouden, niet alleen in Itteren, maar ook door mensen van Borgharen. In tijden van nood ook bidweg, bijvoorbeeld in de afgelopen jaren werd iedere maand een bidweg gehouden door de Kajotters, voor behouden terugkeer van de Itterse jongens die in Indië waren, met goed resultaat.(5)

Vroeger (± 30 jaar geleden of meer) was het ook de gewoonte ’s zondag na het lof naar de kapel te trekken en daar de rozenkrans te bidden.

Medewerker: G. Smeets, Hoofd der school te Itteren

Schoolstraat 66.

3 Beschrijving van de kapel

De kapel is een Rijksmonument en opgenomen in het monumentenregister met nr 28084.

In (5) wordt de kapel beschreven als een rechthoekig gepleisterd gebouwtje met ronde apsis (achterkant) onder een leien zadeldak. Tamelijk monumentale ingang met elliptisch overtoogd bovenlicht en deuren met ronde balusters.

Inwendig bevindt zich de stipes (tafel) van het voormalig hoofdaltaar van de kerk, uit de periode 1775-1800, in de vorm van een sarcofaag volgens een ontwerp van Mathias Soirons; (Maastrichtenaar Soiron was een veel gevraagd en architect en ook stadsbouwmeester van Maastricht).

De wand achter het altaar vertoont een in olieverf geschilderde triomfboog, gemerkt: A. Herfs pinxit (geschilderd) in 1846. Dit jaartal op de schildering is het enige bewijs dat de kapel in 1846 een feit is. Op het altaar een houten madonna, hoog 65, uit de periode 1500-1525, met iets ingesnoerd keurs en zigzag plooien; het kindje naakt. Volgens overlevering zou het beeld tijdens de reformatie onder de Maasbrug te Maastricht gevonden zijn en terecht zijn gekomen in de abdij Hocht waarna het bij de komst der Fransen in 1794 in particulier bezit kwam om ten slotte in dit kapelletje geplaatst te worden.

Volgens de overlevering vermaakt pastoor Demal de kapel in 1860 aan Francisca Smeets en deze op haar beurt in 1926 aan Maria Smeets. Uit onderzoek van kadastrale gegevens (6) blijkt niet dat de kapel inkomsten zou hebben uit de opbrengst van twee roeden land. De naam van de familie Smeets komt in de kadastrale leggers als eigenaar niet voor, wel de gemeente Itteren. Waarschijnlijk wordt met de overdracht van Demal aan Francisca Smeets bedoeld dat zij het onderhoud en de versiering zou verzorgen.

Bij de annexatie van Itteren in 1970 wordt de gemeente Maastricht eigenaar.

In het kader van het Grensmaasplan is de kapel, kadastraal bekend als Itteren sectie A nr. 2281 groot ongeveer een are en vijftien centiaren, als onderdeel van een meer omvattende overeenkomst op 3-9-2009 verkocht aan het Consortium Grensmaas. In het kadaster is thans aangegeven dat het perceel eigendom is van Natuurmonumenten; deze organisatie participeert in het Consortium Grensmaas.

Het pleintje tussen de kapel en de weg is eigendom van de gemeente en is in 2015 gerenoveerd.

Binnenzijde kapel4 Restauratie

Eind zeventiger jaren wordt geconstateerd dat de muurschildering in de kapel en het dak, dat inmiddels lekkages vertoond, dringend toe zijn aan een grondige restauratie. Pierre Bastings de voorzitter van de toenmalige stichting Kruisen en Kapellen (verder steeds genoemd de stichting) neemt hierover contact op met de gemeente Maastricht en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Meerdere rapporten en brieven geven het advies om te restaureren.

In het rapport van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 7-9-1981 (7) wordt vermeld dat het noodzakelijk en ook de moeite waard is om de kapel bouwtechnisch op te knappen. Het schilderwerk ziet er onaantrekkelijk donker en glimmend uit; dit kan te maken hebben met eerder uitgevoerde dakreparaties. De algehele kleurstelling  zou moeten worden herzien; dit is specialistisch werk maar wel de moeite waard, aldus het rapport.

Na diverse restauraties uitgevoerd in opdracht van de stichting (ca 2500 gulden) volgt in 1987 een definitieve restauratie. Helaas is hierbij de oude schildering en dus ook de signatuur van A.Herfs, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten, over geschilderd. De oude schildering uit 1846 is wel nog op foto’s vastgelegd. (8)

5 Het Mariabeeld is weg maar komt terug

In de jaren zeventig werd de kapel diverse keren doelwit van vernielingen en uit voorzorg bewaard de toenmalige beheerder de familie Smeets het antieke Mariabeeld thuis en wordt er in de kapel een gipsen beeld geplaatst. De gemeente wil dat het kostbare beeld een plaats krijgt in de Schatkamer van St.Servaas; de stichting is van mening dat het beeld in Itteren zou moeten blijven en in de kerk een plaats krijgt.

In 1979 overlijdt de beheerder Leo Smeets en ruim een jaar later zijn echtgenote Maria Jorissen. Door de gemeente worden de Belgische erfgenamen van Maria Jorissen benaderd om het beeld, dat volgens geruchten inmiddels in België zou zijn, weer terug te geven. De zus van Maria Jorissen, C. Jorissen, antwoordt kordaat: het beeld komt niet terug, ik neem het mee waar ik ga en sta!

De stichting vraagt wethouder Jan Hoen om hierin te bemiddelen maar ook zijn poging is vruchteloos. Op 20-2-81 stuurt de wethouder een brief aan C. Jorissen in Antwerpen maar een reactie blijft uit. Opnieuw gaat op 28-4-81 een brief (8) van de wethouder de deur uit waarin hij aandringt hem te berichten waar en op welke dag hij het beeld kan komen afhalen. Een maand later krijgt de stichting van de gemeente te horen dat er een brutale brief uit Antwerpen gearriveerd is. De zaak blijft voortslepen en inmiddels zijn ook justitie en gemeentepolitie ingeschakeld.

Maar dan op 1-7-82 belt de wethouder de voorzitter van de stichting om onmiddellijk naar het stadhuis te komen: het beeld is terug!

De vraag is nu wat er met beeld moet gebeuren. De gemeente pleit opnieuw om het beeld een plaats te geven in de schatkamer van St.Servaas. De stichting en ook de wethouder zijn voor plaatsing in de kerk van Itteren waar overigens ook nog enkele andere kostbare beelden staan. De stichting is niet gerust over een goede afloop en schrijft onmiddellijk een brief naar de gemeente met het dringende verzoek het beeld naar Itteren over te brengen waar het thuis hoort (10). In De Limburger verschijnt een artikel over het beeld en deze brief.

De hele affaire rond het beeld haalt zelfs de landelijke pers. Op 13-7-82 komt het Algemeen Dagblad met een paginagroot artikel. Hierin geeft de wethouder opening van zaken waarom het beeld weer terecht is. De nazaten van de familie Smeets hebben in Itteren de boerderij van de familie nogmaals doorzocht en het beeld uiteindelijk in een uithoek van de zolder gevonden!

Met de toezegging van de stichting en het kerkbestuur van Itteren dat het beeld in de kerk veilig is gaat de gemeente uiteindelijk accoord.

Op zondag 15-8-1982, de dag van Maria-Hemelvaart, is het dan eindelijk zover. Het Mariabeeld wordt in een plechtige processie en geflankeerd door de stadschutterij symbolisch overgebracht van de kapel naar de kerk. In de kerk wordt, aldus een artikel in De Limburger van 18-8-82, “ter ere van de terugkeer van het beeld extra luister bijgezet door het gemengd koor dat met het Magnificat en een machtig Tantum Ergo Sacramentum de historische kerksfeer volkomen wist te treffen.”

Sander Bastings
februari 2016

Bronvermelding (alle bronnen of kopieën daarvan zijn in bezit van Pierre Bastings)
1.     Provinciaal archief nr.11592.
2.     Staatkundige geschiedenis van Limburg 1794 -1867. Universiteit Maastricht, A. Berkvens dec 2008.
3.     Pieter Scheepers was burgemeester van Itteren 1816 – 1851. Afscheidsbrief van de waarnemend    burgemeester van Itteren van 29/30 juni 1970  namens het gemeentebestuur naar aanleiding van de annexatie van Itteren door de gemeente Maastricht op 1 juli 1970.
4.     Diocesaan liefdewerk voor de kruisen en de kapellen in Limburg. Vragenlijst, George Smeets  omstreeks 1950. Het verhaal van George Smeets is grotendeels ook terug te vinden in Deelrapport Archeologie behorend bij het bestemmingsplan Itteren en Borgharen van 2002.
5.     De Nederlandse Monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V Zuid-Limburg. W. Marres en J. van Agt, staatsdrukkerij 1962.
6.     Kadastrale gegevens van de kapel aan de Pasestraat te Itteren. E. Broere, referendaris I van de provinciale Waterstaat, 17-10-1977.
7.     Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Stafafdeling bouwkundig onderzoek en documentatie, Rapport nr. HK 81-56 van 9-7-1981.
8.     Archief Pierre Bastings.
9.     Brief aan C. Jorissen te Antwerpen met afschrift aan P. Bastings van J. Hoen wethouder van sociale zaken en welzijn van 28 april 1981.
10. Brief aan de wethouder van sociale zaken en welzijn J.Hoen van de stichting Kruisen en Kapellen te Itteren van 2 juli 1982.